Deze pagina is een onderdeel van de homepage van de Nationale Vlaamse Reuzen Club
©Copyright Nationale Vlaamse Reuzen Club
Niets van deze pagina's mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de webmaster of het bestuur van de N.V.R.C.








Rasbeschrijving algemeen:

Type en bouw:
De bouw van de Vlaamse Reus moet imponeren.
Van boven gezien een rechthoekig lichaam. De benen moeten fors, sterk en niet lang zijn. De rug belijning is in rusttoestand recht, met een soepel afgeronde achterhand en goed gevulde dijen die vast aan het lichaam sluiten. De achterbenen staan zuiver in het verlengde van het lichaam. Als men de fout uitstaande knieën kan constateren staan ook de achterbenen niet in het verlengde van het lichaam en ziet men een geknepen achterhand die een te krappe stand van de achterbenen veroorzaakt en zich dan koehakkig tonen.
De brede schouders en borst vormen met de goed ontwikkelde ribbenpartij en de goed gevulde achterhand deze rechthoek. Vlakke ribben laten een versmalling zien van het middenrif, hetgeen afbreuk doet aan de rechthoek en toont insnoering tussen schouder en bekkengordel. Vlakke ribben geven ook vaak een scherpe rug te zien. Van opzij gezien behoort onze reus een rechte rug te hebben met een mooi gesloten schouderpartij, die één geheel vormt met de ruglijn. De schouderbladen moeten vast aan liggen en via een sterk en hard spierweefsel aan de romp zijn gehecht. Hangen de schouderbladen nogal los, vooral bij voedsters, dan zijn deze ook vaak los in borstvel, ook al tonen ze weinig wam.
Via het opperarmbeen, wat aan het schouderblad bevestigd is, komen we bij het voorbeen. Het voorbeen bestaat uit spaakbeen en ellepijp die zuiver recht zijn. Hieraan bevindt zich het polsgewricht, wat zeer stevig is, want dit gewricht kan bij te slap zijn het doorgedrukte been in de hand werken. Het voorbeen is zeer belangrijk; een reus met forse goed gevormde benen straalt adel en robuustheid uit. Van opzij gezien is de achterhand mooi afgerond zonder gleufvorming.
De buik is hard. Buiken met een slap spierweefsel zijn uit den boze, vooral als ze ook nog overontwikkeld zijn. Een droge buik, hard aanvoelend, goed vrij van de tafel, behoort bij een goed dier. Ook de achtervoeten zijn fors, dus zowel voor- als achterbenen die kracht uitstralen.
Het is vanzelfsprekend dat de kop van een Vlaamse Reus fors moet zijn. Vooral de ram heeft een zware kop met brede schedel en snuit, zwaar ontwikkelde wangen en van opzij gezien een gebogen neusbeen(zogenaamde “appelkop”) zonder gleufvorming tussen de ogen.
De staart is lang en wordt nauwsluitend tegen het midden van de achterhand gedragen. De kop van de voedster is minder zwaar gebouwd, maar mag geenszins ontaarden in een smalle spitse kop.
Het oog moet helder zijn, levenslustig en vitaal. De konijnen hebben nl. drie oogleden, onder en boven en het derde ooglid wat in de ooghoek vaak iets zichtbaar is. Men heeft ook dieren, waar het derde ooglid voor het oog schuift, en wel zover dat het gedeeltelijk voor de pupil schuift. Als hij niet bij machte is dit terug te trekken, spreekt men van spekoog. Ook vermoeide en zenuwachtige dieren willen hun derde ooglid wel eens tonen. Geef hun wat rust, dan trekt het zo weer weg, maar een kleine aanleg is aanwezig. Open ooghoeken zijn uit den boze, deze fout ontstaat doordat de oogleden (ringspieren) slap van weefsel zijn. Dit is een erfelijke aanleg. Dus nooit met deze dieren fokken.
De kop zit met zeer weinig hals aan de romp bevestigd (halsloos). De oren moeten goed open worden gedragen zonder vouwen of plooien. Ze moeten vlezig zijn en stevig van weefsel. Het kraakbeen is de basis voor een stevig en goed gedragen oor. Aan de basis zijn de oren breed en van sterke spieren voorzien. De structuur is zeer belangrijk, de lengte moet in overeenstemming zijn met de lichaamsgrootte, maar overlengte schaadt vooral als ze slap van structuur zijn en het dier kan ze slecht dragen doet dit veel afbreuk aan het geheel. Als een reus zich goed stelt met vooromschreven lichaamsbouw is het een prachtverschijning, een atleet. Fouten in de rugbelijning zijn erfelijk. Een losse schouderpartij gaat vaak samen met zwakke voorbenen. Losse schouders getuigen van een slap spierweefsel en vaak is dan het borstvel ruim, vooral bij voedsters. Deze dieren zijn moeilijk in stelling te brengen of helemaal niet, vaak blijven ze plat liggen. De wervelkolom is recht tot aan de achterhand, die zonder plat of hoekig te zijn mooi is afgerond.
Ook komt een verhoging in kruiswervels voor, wat een ernstige fout is. Gleufvorming in achterhand, vooral in ernstige mate is zeer erfelijk. Een scheve staart is een vergroeiing in de eerste wervels. De z.g. staartwortel, ligt dan zo goed als dwars achter de achterhand. Een kromme staart is weer wat anders, deze toont een vergroeiing van de wervels in meerdere vormen o.a. een kwartcirkel naar links of rechts. Een gebroken staart kan men voelen aan de wervels, die dan een verdikking hebben.
De staart is vaak vergroeid door dit euvel, maar dit is niet erfelijk, dus wel een goed fokdier.
Een sleepstaart is een staart die slap achter het dier aansleept. Een speelstaart is moeilijk te beoordelen. Als een ram op tafel zit waar ook de voedsters op geweest zijn dan houdt hij vanwege geslachtsdrift de staart niet op zijn plek. Dit is natuurlijk geen speelstaart. Een speelstaart kan men het best beoordelen door het dier een poosje over de vloer te laten lopen. Bij een speelstaart draagt hij of zij de staart onvast en gooit hem naar alle richtingen. Is het echter geen speelstaart dan zal hij of zij de staart weer op de plek dragen waar hij moet zijn.
Het gebit moet goed op elkaar aansluiten. Een te korte of te lange onderkaak komt voor. Dan kunnen ook de snijtanden misvormd raken, waardoor voedselopname zeer moeilijk wordt. Vaak is de vleesconditie bij deze dieren niet optimaal. Komt men dieren tegen met een slechte vleesconditie, controleer het gebit. Vaak is het gebit dan niet correct, olifantstanden komt dan vaak voor. Ook andere kaakmisvormingen kunnen leiden tot moeilijke voedselopname, o.a. een trap gebit. Hier zijn de achterste kiezen langer dan de voorste, zodat er een trapvorm ontstaat. De voorste kiezen raken elkaar niet, zodat het korrelvoer een beetje gekneusd raakt en het dier weer uit de mond valt in de bak, dit kan men in de bak vaak wel zien. Ook komt er speeksel vrij en het gekneusde voer vermengt zich daarmee, zodat er koekvorming onder in de voerbak ontstaat. Als men dit ontdekt en het gebeurt veel bij de dieren, zal men één van de mindere dieren toch moeten slachten en controleren of men met dit euvel te maken heeft.
Geslachtsdelen controleren. Als de dieren jong zijn kunnen er vergissingen worden gemaakt ten aanzien van de geslachtsdelen. Een volgroeid geslachtsdeel kan uiteindelijk op de juiste vorm en volledigheid worden beoordeeld. Een gespleten penis is helemaal open of soms op een klein stukje na, wat in het midden dan weer vastzit. Het spleetje voorin de penis is altijd niet van gelijke grootte, het is soms zo groot dat keurmeesters spreken van een gespleten penis.
Ook voetzolen controleren op verwondingen. Wonde voetzolen komen nogal eens voor bij dieren die overvet zijn of die in een slechte vleesconditie zijn.

Gewicht:
Het minimum gewicht bedraagt 6 kilo. Het best type bij een volgroeid dier zal ongeveer 7,5 kilo wegen. Een hoog gewicht wordt gewaardeerd maar mag niet gaan ten koste van het type. Overtollige vetheid en zware wamvorming bij de voedsters is te veroordelen.

Kop en Oren:
De kop is krachtig ontwikkeld en mag niet lang of smal zijn. Vooral de rammen moeten een kop hebben met een brede schedel, volle wangen en snuitpartij. De oren zijn fors en vlezig en aan de toppen mooi lepelvormig afgerond. De oren worden nauwsluitend V-vormig gedragen. Hiervoor is een krachtige inplanting van de oren een noodzaak. De minimum oorlengte bedraagt 17 cm, een maximum is er niet gesteld. De Ideale oorlengte is ± 19 tot 20 cm mits correct gedragen.

Dekkleur en buikleur:
Zie hiervoor de beschrijving van elke kleur afzonderlijk!.
De Vlaamse reus is erkend in de kleuren: Haaskleur, Konijngrijs, IJzergrauw, Blauwgrijs, Blauwgrauw, Zwart, Blauw, Geel en Wit.

Tussen en grondkleur:
Zie hiervoor de beschrijving van elke kleur afzonderlijk!.

Beharing en verder conditie:
De beharing is van een normale lengte, met veel onderwol en een stevige structuur. Lange slappe en wollige pelzen zijn uit den boze. Lange pelzen laten meestal een slechte dekkleur zien bij de wildkleurigen. Als de pels te lang wordt, krijgen te lange dekharen te lang gekleurde haartoppen. De haarpunten vormen de ticking die dan te grof wordt wat foutief is. Ook de onderkleur (grond en tussenkleur) wordt vager en de grondkleur is vaak zwak. Dus lange beharing is fout.
Een pels moet er goed verzorgd uitzien, schoon en bij wit helder van kleur. Klitten aan voetzolen, staart en rondom staartwortel en het onderste gedeelte van de achterhand en borst komen nogal eens voor. Als men dat bij houdt met kam en borstel voorkomt men teleurstellingen. Houdt men dat niet bij, gaan ze vastzitten en wil men ze dan weghalen, gaan ze meestal de pels beschadigen. Deze klitvorming valt niet erg op, men moet voelen onder de opgeslagen staart of dit aanwezig is. Buik en voetzolen controleren en nagels worden bijgeknipt. Vuile oren zijn uit den boze.
Geslachtsdelen steeds controleren. Mijtaandoeningen zijn gevaarlijk. Brengt men deze dieren op de tentoonstelling dan zal de keurmeester deze laten verwijderen, als de controlerende dierenarts dit al niet heeft gedaan. Dieren zijn vermagerd en niet in een al te beste vleesconditie. Verwaarlozing of slecht strooisel is vaak de oorzaak. Houdt men de hokken goed schoon met regelmatige verzorging, goed schoon stro en stofvrij hooi dan komt voornoemd euvel niet voor.
Stof mag niet aanwezig zijn, niet in hooi noch in stro. De neusslijmvliezen kunnen erdoor geïrriteerd raken, zelfs erdoor beschadigd worden, wat natte neuzen veroorzaakt en als er een beetje tocht bij komt zelfs wel snot kan veroorzaken.
Mijt is een levende parasiet, waar het dier zeer veel hinder van heeft en leeft ten kostte van het lichaam. Dun behaarde nekken gepaard met huidverschilfering komen nogal eens voor. Dit zijn vaak de beste eters en hebben een beste vleesconditie. Misschien een beetje te veel van het goede (zetmeel). Als men ze behandelt met een beetje alcohol of bloem van zwavel gaat het wel weer over.
Het jeukt wel, soms krabben ze met de achterbenen de nek stuk. Dit moet men voorkomen, want dit geneest langzaam en men kan het dier niet gebruiken voor de tentoonstelling.